Vandaag was het zover. De dag waar ik bijna de hele week tegenop had gezien.
Een bijeenkomst met ongeveer vijftig ambtenaren uit Woerden, waar ik mijn persoonlijke verhaal over Enik zou vertellen. Samen met Mariëlle, peer supporter en facilitator, zou ik vertellen wat Enik voor mij en mijn herstel heeft betekend.
Vijftig mensen. Vijftig paar ogen. En ik, die daar mijn verhaal ging vertellen.
Alleen al bij de gedachte eraan voelde ik de spanning door mijn lichaam gaan.
Toen we naar voren werden geroepen, was ik de eerste die zich aan de groep mocht voorstellen. Ik had mijn hele verhaal van tevoren op papier gezet. Niet omdat ik niets te vertellen had, maar juist omdat ik zoveel te vertellen had en bang was dat ik door de zenuwen mijn woorden zou vergeten.
Dus begon ik te lezen.
Met mijn papier recht voor mijn neus. Een veilige plek om mijn blik op te richten, zodat ik niemand hoefde aan te kijken.
Maar mijn lichaam dacht daar anders over.
De spanning werd steeds heftiger. Ik begon te trillen. Niet een klein beetje, maar zo erg dat ik me er steeds bewuster van werd.
En alsof die spanning nog niet genoeg was, begon ook mijn hoofd zich ermee te bemoeien.
Daar was hij weer. Die bekende kritische stem.
Waarom tril je nou zo? Hou daar eens mee op.
Jeetje, wat duurt dat verhaal eigenlijk lang.
Ze zullen me nu vast stom vinden.
Terwijl ik mijn persoonlijke verhaal over herstel aan het vertellen was, speelde zich vanbinnen een heel ander verhaal af. Een verhaal vol onzekerheid, schaamte en angst voor het oordeel van anderen.
Bijzonder eigenlijk. Ik stond daar om te vertellen hoe ik langzaam weer mijn plek in de samenleving had gevonden, terwijl een oud stukje van mezelf me op datzelfde moment probeerde wijs te maken dat ik daar helemaal niet thuishoorde.
Ik bleef lezen. Bijna op de automatische piloot.
Soms was ik zo druk met mijn eigen gedachten dat ik nauwelijks nog bewust meekreeg wat ik aan het vertellen was. Mijn aandacht zat vooral bij mijn trillende lichaam en bij de vraag wat al die mensen wel niet van mij zouden denken.
En toen kwam eindelijk de laatste zin.
Ik was klaar.
En ineens hoorde ik applaus.
Vijftig mensen die voor mij klapten.
Mijn eerste gedachte was niet eens dat ze mijn verhaal misschien mooi of waardevol hadden gevonden.
Nee, mijn hoofd begon meteen weer.
Klappen ze voor mijn verhaal? Of klappen ze omdat ze zagen hoe moeilijk ik het had?
ik weet het niet. Misschien was het wel allebei.
Maar wat ik wel weet, is dat het goed voelde.
Want applaus heeft voor mij een bijzondere betekenis. In mijn verleden heb ik vaak genoeg ervaren hoe het voelt om uitgelachen te worden. Om het gevoel te hebben dat mensen niet mét je lachen, maar óm je.
En vandaag zaten daar vijftig mensen die voor mij applaudisseerden.
Dat verschil raakte me.
Achteraf besefte ik iets wat ik op dat moment zelf nauwelijks kon voelen.
Ik had het gewoon gedaan.
Ondanks mijn angst. Ondanks het trillen. Ondanks die kritische stem die me voortdurend probeerde onderuit te halen.
Ik was daar gaan staan en had mijn verhaal verteld.
Misschien niet op de manier waarop ik het van tevoren had gehoopt. Misschien niet ontspannen, zelfverzekerd of met mijn hoofd omhoog.
Maar ik had het wel gedaan.
En misschien is dat ook wel waar herstel voor mij steeds meer over gaat.
Niet dat mijn angst ineens verdwenen is. Niet dat ik nooit meer onzeker ben of me schaam. Maar dat ik mezelf steeds vaker toestaat om iets te doen, ook wanneer die gevoelens aanwezig zijn.
Dat ik niet meer hoef te wachten totdat ik volledig zelfverzekerd ben om mezelf te laten zien.
Vandaag heb ik niet alleen mijn verhaal over herstel verteld.
Vandaag heb ik ook een stukje van mijn herstel laten zien.
En misschien was dat nog wel veel waardevoller dan alle woorden die ik op papier had gezet.
Want waar ik vroeger misschien was weggelopen of mezelf had teruggetrokken, bleef ik vandaag staan.
Trillend, onzeker en met een hoofd vol gedachten.
Maar ik bleef staan.
En daar ben ik trots op.
Reactie plaatsen
Reacties